Componist en organist

Ingediend door Paula op do, 01/10/2019 - 15:49
Johann Gottfried Walther

De meeste gegevens over het leven van Walther zijn te vinden in de autobiografie die hij heeft geschreven voor Johann Matthesons Grundlage einer Ehren-Pforte (1740), en in Walthers bewaard gebleven brieven.[1] Walther is in 1684 geboren te Erfurt in Thuringen. Hij heeft les gehad van twee organisten in zijn geboortestad, Johann Bernhard Bach (een verre verwant van Johann Sebastian) en Johann Andreas Kretschmar. Tijdens zijn vroege jeugd, van 1678 tot 1690, was in Erfurt de Zuid-Duitse organist Johann Pachelbel gevestigd. Walther kan in aanraking gekomen zijn met de traditie van Pachelbel door zijn lessen bij diens Erfurter leerling Johann Heinrich Buttstett. De lessen bij Buttstett waren echter teleurstellend: van een leerboek had hij meer profijt.[2] Drie van deze meesters zijn vertegenwoordigd in het manuscript: J.B. Bach met vier titels, Buttstett met zeven, en Pachelbel met negentien (onzekere toeschrijvingen niet meegerekend).

In 1703 begonnen Walthers ‘Wanderjahre’. Belangrijk was zijn ontmoeting met de vooraanstaande muziektheoreticus Andreas Werckmeister in Halberstadt. Met Werckmeister onderhield hij een “plezierige briefwisseling”, en deze mentor verschafte hem partituren van de grote vertegenwoordiger van de Noord-Duitse orgeltraditie, Dieterich Buxtehude (het manuscript bevat 21 van zijn werken).[3] In 1706 legde Walther contact met Johann Pachelbels zoon Wilhelm Hieronymus in Neurenberg.

Dit leven als reizend student kwam tot een einde in 1707, toen Walther werd aangesteld als organist van de Stadtkirche St. Petri und Pauli in Weimar, niet ver van Erfurt. Dit bleek het eindstation van zijn carrière. Naast zijn werkzaamheden voor de kerk was Walther actief als leraar; onder zijn leerlingen waren leden van het regerende huis van Saksen-Weimar en van andere adellijke families. In 1721 werd Walther als Hofmusicus lid van de hertogelijke kapel. Daarmee was het hoogtepunt van zijn carrière bereikt; verdere promoties of vorderingen in zijn loopbaan bleven uit.

Minder dan een jaar nadat Walther in Weimar was neergestreken werd zijn neef Johann Sebastian Bach in dezelfde stad aangesteld als hoforganist en Cammermusicus. Beide musici scheelden weinig in leeftijd, en zij schijnen nauwe betrekkingen te hebben onderhouden. Ze kopieerden elkaars werk, en hadden tenminste één leerling gemeen, Johann Tobias Krebs (van wie dit manuscript één werk bevat).[4] In 1712 trad Bach op als peetvader van Walthers tweede zoon (en derde kind). Van zijn acht kinderen overleefden er slechts vier. De jongste zoon, Johann Christoph (1715–1771), is als organist in zijn vaders voetspoor getreden.

 

De stagnatie in Walthers loopbaan als uitvoerend musicus is omgeslagen in een trieste neergang. Het aantal leerlingen nam af en hij werd gepasseerd voor vacatures, zoals de positie die vrijkwam bij Bachs vertrek in 1717 (Bach werd na een maand gevangenschap ontslagen). Sinds 1745 maakte een slechte gezondheid het Walther steeds moeilijker om zijn beroepsverplichtingen te vervullen. Johann Christoph, teruggeroepen van de universiteit van Jena om zijn vader te vervangen, werd niet in staat gesteld om hem officieel op te volgen.

Onze kennis van Walthers oeuvre is verre van volledig. Afgezien van de orgelwerken is slechts één vocaal werk compleet overgeleverd. De meeste van de orgelwerken zijn koraalzettingen.[5] De vormen variëren van eenvoudige driestemmige zettingen tot meer complexe partita’s, fantasieën en fuga’s. Volgens Mattheson was Walther de meest waardige opvolger van Pachelbel, “met recht de tweede, zoniet in kunstvaardigheid de eerste Pachelbel”.[6] In een recente beoordeling schrijft George J. Buelow:

Walther’s chorale variations are uniformly of the highest merit, perhaps the only ones comparable to Bach’s examples of the genre [...] Walther’s sensitivity to the affective connotations of the melodies, his rich harmonic variety, the brilliant keyboard technique rooted in motivic counterpoint, and the strength of the contrapuntal ideas are all worthy of comparison with Bach’s organ chorales.[7]

 


 

[1] J.G. Walther: Briefe, hrsg. von K. Beckmann und H.-J. Schulze (Leipzig, 1987). De meeste hiervan zijn gericht tot Heinrich Bokemeyer, cantor in Wolfenbüttel, en een trouwe pennevriend.

[2] O. Brodde: Johann Gottfried Walther: Leben und Werk (Kassel 1937), p. 5, 6

[3] J. Mattheson: Grundlage einer Ehren-Pforte (Hamburg 1740), p. 388

[4] J.G. Walther: Musicalisches Lexicon (Leipzig 1732), p. 345

[5] Voor het eerst uitgegeven door M. Seiffert in DDT, Vol. XXVI-XXVII (Leipzig 1906); nieuwe uitgave door K. Beckmann, Sämtliche Orgelwerke (Wiesbaden 1998-99).

[6] “[...] mit Recht der zweite, wo nicht an Kunst der erste Pachelbel”. J. Mattheson: Der vollkommene Capellmeister (Hamburg 1739), p. 476

[7] G.J. Buelow, artikel Walther, Johann Gottfried, in Grove Music Online, Oxford Music Online, 20 Apr. 2010