agenda.jpg
Protest Nederlands Muziek Instituut

Marius Hendrikus Flothuis (1914-2001)

De componist en musicoloog Marius Flothuis is in Amsterdam geboren als zoon van een leraar Duits en een onderwijzeres. Hij bezocht in zijn geboortstad het Vossius Gymnasium; een van zijn leraren, de historicus Jacques Presser, is met zijn eruditie, politiek engagement en uitgesproken anti-nazistische oriëntatie van grote betekenis geweest voor Flothuis’ intellectuele ontwikkeling. Muziekonderwijs genoot hij bij onder anderen Hans Brandts Buys.

In 1932 begon hij de studies klassieke letteren en muziekwetenschap in Amsterdam en Utrecht. In 1937 werd hij assistent artistieke zaken van Rudolf Mengelberg, algemeen directeur van het Amsterdamse Concertgebouw. Als componist kwam hij onder de aandacht door de uitvoering van zijn Vier liederen op. 3 op teksten van Christian Morgenstern, uitgevoerd door de sopraan Hans Gruys en het Concertgebouworkest o.l.v. Eduard van Beinum in 1939.

Zijn weigering om tijdens de Duitse bezetting het lidmaatschap van de Kultuurkamer aan te vragen leidde tot zijn ontslag bij het Concertgebouw in 1942. In september 1943 werd hij gearresteerd wegens hulp aan onderduikers, en hij verkeerde tot mei 1945 in gevangenschap in de kampen Vught en Sachsenhausen. Voor bevriende medegevangenen componeerde Flothuis in deze tijd o.m. een fluitconcert (op. 19), een hoornconcert (op. 24), en een solosonate voor viool (op. 23 nr.3).

Na de bevrijding werd zijn dienstverband bij het Concertgebouw officiëel weer hersteld, maar na een periode van ziekte nam Flothuis ontslag en ging tewerk als muziekredacteur voor o.m. Het Vrije Volk (1945-1953) en als biliothecaris voor de Stichting Nederlandse Muziekbelangen (het latere Donemus, 1946-1950). In 1953 keerde hij terug bij het Concertgebouworkest, eerst als assistent van de artistieke leiding, van 1955 tot 1974 als artistiek leider. In deze periode werkte hij met de vaste dirigenten Eduard van Beinum en Bernard Haitink; voor hedendaags repertoire nodigde hij dirigenten uit als Ernest Bour, Hans Rosbaud, Bruno Maderna en Pierre Boulez.

In de jaren ’60 zette Flothuis zijn studie muziekwetenschap voort, en hij promoveerde in 1969 aan de Rijksuniversiteit Utrecht op een proefschrift over Mozart als bewerker. Hij vervolgde hij zijn loopbaan als hoogleraar muziekwetenschap in Utrecht (1974-1982) en als voorzitter van het Zentral-Institut für Mozart-Forschung in Salzburg (1980-1994). De voorliefde voor Mozart was een van de constanten in zijn leven; hij leverde bijdragen aan de Neue Mozart Ausgabe, publiceerde over deze componist artikelen en enkele ‘Werkführer’. Opstellen over verschillende muzikale onderwerpen zijn verzameld in Notes on notes (1974), Denken over muziek (1993) en het postume Mijlpalen en keerpunten (2003).

Het oeuvre van Flothuis omvat ruim honderd opusnummers voor een breed scala van bezettingen, waarin alleen de dramatische genres niet zijn vertegenwoordigd. Karakteristiek is een hang naar evenwicht, ingetogenheid en lyriek, in een overwegend behoudend tonaal idioom, dat evenals het werk van wat oudere generatiegenoten als Hans Henkemans en Rudolf Escher vooral Frans georienteerd was. Als hoogtepunten in zijn oeuvre gelden de Symfonische muziek op. 59 (1957) en Hymnus op. 67 (voor sopraan en orkest, 1965, op een gedicht van Ingeborg Bachmann).

Archief Marius Flothuis »