Adolf Waterman (1886-1966)
De pianist en componist Adolf Waterman werd geboren in Rotterdam als derde kind in een muzikaal gezin. Op jonge leeftijd had hij les van Bernard Zweers, Johan Sikemeier en Bernard Diamant. Op wens van zijn vader, een boekhouder, is hij omstreeks 1904 naar Boedapest vertrokken om zijn loopbaan te beginnen in een handelsonderneming. Daar heeft hij zijn pianostudie voortgezet bij Aladar Berényi en Stefan Thomán.
Na terugkeer in Nederland maakte hij in 1906 zijn debuut in Arnhem in Beethovens vierde pianoconcert. In 1912 vestigde hij zich in Berlijn, waar hij werkzaam is geweest als pianist en compositie heeft gestudeerd bij Hugo Kaun. Zijn pianoconcert in d kl.t. is in 1917 in Berlijn uitgevoerd. In 1927 organiseerde Waterman een concert van eigen werk in de Beethovensaal, waar de vioolsonate op. 11, altvioolsonate op. 19, pianowerken en liederen uitgevoerd werden.
Kort voor of na de ‘Machtergreifung’ door de Nazis in 1933 is de Joodse Waterman uitgeweken naar Parijs. Hier overleed in 1938 zijn tweede echtgenote Annie van den Bergh. In mei 1940 is Waterman via Spanje, Portugal, Zuid-Afrika en Nederlands-Indië naar Australië gevlucht.
Behalve een korte periode van verblijf in Nederland na 1945 heeft Waterman zijn verdere leven doorgebracht in de Verenigde Staten en vervolgens Monaco, waar hij in augustus 1966 is overleden. Over zijn leven sinds 1940 zijn geen verdere gegevens voorhanden; naar het schijnt hebben zijn levensomstandigheden een verdere muzikale carrière in de weg gestaan.
Een klein aantal piano- en kamermuziekwerken is uitgegeven door Franse en Duitse uitgevers, waaronder de liederen 'Heures d’été'' (1927), de 'Sonatine' (1937) en 'Sept préludes' (1928) voor piano.

