Johannes Verhulst (1816-1891)
|
Johannes Verhulst is geboren in Den Haag. Als jongenssopraan en componist van katholieke kerkmuziek gaf hij al vroeg blijk van buitengewone muzikale aanleg. Zijn vader, zetter in een drukkerij, had zijn zoon liever aan het werk had gezien als lithograaf; maar door de tussenkomst van directeur J.H. Lübeck kon Johannes zich inschrijven aan de Koninklijke Muziekschool; hij was een van de eerste leerlingen bij de oprichting in 1827. In 1832 werd hij aangesteld als kerkorganist. Ook speelde hij als violist in de Hofkapel en in het orkest van het Théâtre Français. Toen Felix Mendelssohn-Bartholdy in de zomer van 1836 Scheveningen bezocht, toonde Lübeck hem enige composities van Verhulst. Op grond van het positieve oordeel van Mendelssohn werd besloten dat Verhulst bij deze componist in de leer zou gaan. Na een korte periode van studie in Keulen en in Parijs begaf Verhulst zich in Januari 1838 naar Leipzig, waar Mendelssohn de leiding had van de concerten in het Gewandhaus. |
![]() |
|
| Ook met andere prominente musici in Leipzig verkeerde Verhulst spoedig op goede voet, zoals Robert Schumann, Clara Wieck, Ferdinand Hiller en Ferdinand David. Reeds in het jaar van zijn aankomst kreeg hij de leiding van het orkest Euterpe. Schumann vestigde in zijn Neue Zeitschrift für Musik de aandacht op de jongere collega, en zijn composities (waaronder de ouverture Gijsbrecht van Aemstel) kregen in dit tijdschrift gunstige recensies. In Leipzig schreef Verhulst onder meer drie strijkwartetten, het orkest-intermezzo Gruß aus der Ferne en zijn enige symfonie (in e kl.t.). In 1843 presenteerde Verhulst zich als dirigent en componist in een concert in de Gothische Zaal in Den Haag. Zijn aanzien was bij deze gelegenheid zo groot, dat Koning Willem II hem beloonde met een ridderorde en een honorair koninklijk kapelmeesterschap. Sindsdien is Verhulst in Nederland gebleven, afgezien van één buitenlandse reis in 1845, tijdens welke hij Mendelssohn bezocht in Leipzig en Schumann in Dresden; ook heeft hij in Leipzig de componist Niels Gade ontmoet. Jaren later kwam het tot een hechtere vriendschap tussen beide musici. Na de opheffing van zijn functie bij de dood van Willem II in 1849 aanvaardde Verhulst de leiding van het Toonkunstkoor in Rotterdam. In 1860 volgde hij Lübeck op als dirigent van de Diligentia-concerten in Den Haag. In 1864 verruilde hij de Rotterdamse afdeling van Toonkunst voor die van Amsterdam; in hetzelfde jaar kreeg hij ook de leiding van de Caecilia-concerten, en in het volgende die van Felix Meritis. Als dirigent bracht Verhulst zijn Leipziger relaties Schumann en Mendelssohn onder de aandacht. Ook introduceerde hij Brahms in Nederland, en verrijkte het oratororiumrepertoire met werk van Bach en Händel. Geen waardering had hij voor de ‘neudeutsche’ richting van Liszt en Wagner. Door zijn machtspositie lokte deze eenzijdigheid toenemende controversen uit. In 1886 was hij genoodzaakt de leiding van de Diligentia-concerten over te dragen aan Richard Hol. Weinig later legde hij al zijn functies neer. Het oeuvre van Verhulst omvat ongeveer 85 werken. De instrumentale composities dateren vooral uit de eerste fase van zijn loopbaan; in later jaren schreef hij hoofdzakelijk koormuziek en feestcantates. Grote bekendheid hadden destijds zijn liederen, veelal op teksten van Jan Pieter Heije. Na zijn dood is zijn werk echter nauwelijks meer uitgevoerd. Verhulst had vier kinderen. De jongste dochter Louise Henriëtte is actief geweest als zangeres, de oudste Anna Charlotte heeft carrière gemaakt als pianiste. |
||


