archieven.jpg

Archiefstuk van de maand

Berlioz: een brief uit Rome (1831)



Archiefstuk van de maand
Een aanbeveling van Ravel


(Februari 2012)
De familie Noske, ca. 1880


(Maart 2012)
J.S. Bach: kwitantie, 1731
(April 2012)
J. en F. Giese, cellisten
(Mei 2012)
Berlioz: brief (Rome 1831)
(Juni 2012)
Alsbach: Album amicorum
(Juli 2012)
Een violist-aviateur (1913)
(Augustus 2012)
Mozart: brief (Milaan 1770)
(September 2012)
Portret van...?
(Oktober 2012)
F. Nieuwenhuysen (1783)
(November 2012)
Verkreukeld, gescheurd waar de zegellak eruit is gevallen; haastig geschreven, vol doorhalingen, niet geheel coherent, maar niettemin duidelijk leesbaar, en met een zwierige vormgeving. Ook in deze beknopte brief aan de uitgever Maurice Schlesinger (een goede professionele relatie) geeft Berlioz een veelzijdig beeld van zijn persoonlijkheid: oprecht, en tegelijkertijd theatraal; heftig en provocerend in zijn oordeel, maar ook hartelijk en gedreven door ongebreideld enthousiasme. Opmerkelijk zijn vooral zijn woorden over Mendelssohn op de laatste bladzijde (onmiddellijk gevolgd door een schimpscheut jegens het Opperwezen).

Mon cher Schlesinger,

Faites-moi le plaisir de faire parvenir a Hiller la lettre ci-incluse. Je lui ai écrit il y a long temps à son ancienne adresse rue
Sainte-Anne No 1 et je n'en obtiens point de réponse.

Veuillez en outre adresser a Mr Meyer-beer mes vives félicitations sur son éclatant succès; si vous voyez A. Nourrit complimentez-le aussi de ma part. Je ne sais si vous êtes l'editeur de
Robert, mais je pense que si vous ne l'êtes pas c'est qu'il n'a pas dépendu de vous, car la publication doit actuellement être fort avancée. Je
[p. 2]
ne vous dirai rien de la musique de Rome, Naples, Gênes et Florence. Jusqu'à present elle me parait avoir subi le sort de Carthage.
« ... L'étranger, sur le rivage
« la cherche et ne la trouve pas. »

Des enfants, des ânes, des cuisinières, des marchands de bas; ... tenez brisons là.

Quand faisons-nous une autre revolution à Paris? Voyons donc, voilà les Lyonnais qui se divertissent; mais une poignée... l'autre était trop bête. Dans le genre de Bristol; voilà ce qu'il faudrait pour bien s'amuser.

Je prie Desmarest du théâtre italien et son chef Girard, de vouloir bien recevoir ma malédiction, pour
[p.3]
leur froideur et leur paresse inexcusable. Je souhaite le bonjour a l'excellent Pixis en le priant de me rappeler au souvenir de Sina. J'ai vu ici Mendelssohn, ah mon Dieu quel talent! … c’est inouï... superbe, grand, délicat, grâcieux, sensible, intelligent, modéré, violent, rapide, fort, doux, profond.
« C'est un homme et veritablement
« digne de ce nom. » (Hamlet, Shakespeare acte 1er.)

Bonjour, (je ne veux pas vous dire A
dieu car je le déteste et l'abomine de plus en plus).
Qui? Dieu? - Oui.

H. Berlioz
Rome, ce 3 decembre 1831

 

Mijn beste Schlesinger,

Doe mij het genoegen de bijgesloten brief aan Hiller door te sturen. Ik heb hem lang geleden geschreven op zijn oude adres in de Rue
Sainte-Anne No 1 en ik krijg geen antwoord.

Stuurt U ook M. Meyerbeer mijn hartelijke gelukwensen met zijn eclatant succes; als U A. Nourrit ziet, complimenteert U hem dan ook namens mij. Ik weet niet of U de uitgever bent van
Robert, maar ik denk dat als U het niet bent dat aan U niet gelegen zal hebben, want de uitgave moet nu ver voortgeschreden zijn. Ik
[p. 2]
zal U niets vertellen over de muziek in Rome, Napels, Genua en Florence. Tot op heden lijkt ze me het lot te hebben gedeeld van Carthago.
“... De vreemdeling, hij zoekt haar
op de oever en vindt haar niet.”

Kinderen, ezels, kooksters, kousenventers; … Laten we daar maar over ophouden.

Wanneer maken we weer eens revolutie in Parijs? Kijk eens naar die Lyonezen, die amuseren zich tenminste; maar een handjevol… de vorige was te dom. Zoiets als in Bristol; daarmee kan men zich vermaken.

Desmarest en dirigent Girard van het Théâtre Italien mogen mijn vervloeking in ontvangst nemen vanwege
[p.3]
hun kilte en onvergeeflijke luiheid. Ik doe de groeten aan de voortreffelijke Pixis met het verzoek Sina nog eens aan mij te herinneren. Ik heb Mendelssohn hier ontmoet, mijn God wat een talent!… het is ongehoord… prachtig, groots, delicaat, gracieus, gevoelig, intelligent, beheerst, heftig, vlug, krachtig, teder, diepzinnig.
“Hij is een man en waarlijk
die benaming waard.” (Hamlet, Shakespeare 1e akte.)

Gegroet, (ik wil niet a
dieu zeggen want ik verfoei en verfschuw hem steeds meer).
Wie? God? – jawel.

H. Berlioz
Rome, 3 december 1831
Het verzoek om de bijgesloten brief aan zijn vriend Ferdinand Hiller door te sturen, was waarschijnijk de voornaamste aanleiding tot het schrijven hiervan. De brief aan Hiller van dezelfde datum (gepubliceerd in de Correspondance générale) gaat grotendeels over dezelfde onderwerpen, in andere bewoordingen, en iets meer uitgebreid.

Berlioz’ verblijf in Rome was het ongewenste gevolg van het feit dat hij in juli 1830 (na vier eerdere pogingen) de Prix de Rome had gewonnen; alleen uit financiële noodzaak onderwierp hij zich opnieuw aan het oordeel van de jury. Intussen was de 27-jarige in 1830 al een geruchtmakende persoonlijkheid; de Symphonie fantastique is op 5 december van dat jaar voor het eerst uitgevoerd. Een periode van studie in Italië was zinvol voor schilders en beeldhouwers, die de meesterwerken uit de oudheid, renaissance en barok konden bestuderen. Voor Berlioz betekende dit een verbanning uit het centrum van de muzikale wereld: Parijs. Muzikaal had Italië hem weinig te bieden, zoals ook blijkt uit de korte tirade in deze brief.

Maurice Schlesinger (1798-1871), de ontvanger van deze brief, was een van de meest succesvolle muziekuitgevers van zijn tijd. Hij had in 1829 Berlioz’ opus 1 gepubliceerd, de Huit scènes de Faust, en zou later ook de uitgave verzorgen van onder meer de Symphonie fantastique (1845). Bovendien gaf hij een tijdschrift uit getiteld Gazette musicale de Paris, waarin bijdragen verschenen van onder anderen Berlioz, Wagner, Liszt en Schumann.

Schlesingers adres op de buitenkant van deze brief, Rue de Richelieu nr. 97, was vertrouwd terrein: van het voorjaar van 1828 tot zijn vertrek naar Rome op 30 december 1830 woonde Berlioz op nr. 96, aan de overkant van de straat. Van veel meer betekenis voor de componist was het feit dat hij vanuit zijn appartement ook uitzicht had op de woning van Harriet Smithson, de door hem vurig beminde Iers-Engelse actrice (ze trouwden in 1833 en zijn gescheiden in 1840).

f00322

Hector Berlioz, ca 1855
(NMI, archief Richard Hol)
Ferdinand Hiller (1811-1885), een uit Frankfurt afkomstige componist en dirigent, staat vooral bekend als steunpilaar van  conservatisme in de Duitse muziek van de 19e eeuw. In zijn jonge jaren stond hij echter open voor het werk van de meer radicale romantici. Tijdens zijn verblijf in Parijs (1828-1835) sloot hij vriendschap met Berlioz, Chopin en Liszt. Hij was Schumanns voorganger als dirigent in Düsseldorf, en daarna vele jaren verbonden aan Keulen (1850-1884). In zijn memoires (Künstlerleben, 1880) schetst hij een treffend en sympathiek portret van Berlioz, met wie hij destijds een hechte vriendschap had:

“Berlioz was in de volle zin van het woord een man van eer. [...]  Tegenover mij was hij iets van een Mefistofeles, waarmee ik mezelf geenszins de rol van Faust wil toebedelen, eerder die van arme student! Van zijn katholieke opvoeding was elk spoor verdwenen – hij werd beheerst door allerhand twijfels, en de verachting van alles wat hij vooroordeel noemde ging tot in het extreme. [...] Berlioz geloofde in God noch in Bach – noch aan de absolute schoonheid in de kunst noch aan de deugd in het leven. Shakespeare, Goethe en Beethoven ontlokten ons dezelfde lofzangen [...] maar wanneer hij zijn tong vrije loop liet, en daarbij alles om zich heen neersloeg als een uit zijn bedding getreden rivier, dan werd het me soms toch bang te moede.” (p. 64, 70)

De verstandhouding met de operacomponist Giacomo Meyerbeer (1791-1864) was in deze jaren beiderzijds welwillend. De spectaculaire première van Meyerbeers Robert le diable op 21 november 1831 was een van de Parijse evenementen die Berlioz ongaarne miste. De krantenberichten bezorgden hem een slapeloze nacht, volgens de brief van 3 december aan Hiller: “Het bloed kookt me in de aderen. 100.000 maal vervloekt! Zit ik hier opgesloten in dit sombere en onmuzikale land [...].”) De tenor Adolphe Nourrit (1802-1839) zong in de jaren 1826-1836 alle grote rollen in de Parijse Opéra.

… une autre revolution à Paris: in 1830 hadden de ‘drie roemrijke dagen’ (27-29 juli) een einde gemaakt aan het repressieve bewind van Charles X. Berlioz haastte zich in deze dagen om zijn vierde Prix de Rome-cantate te voltooien (Sardanapale); maar op het moment dat hij de partituur afsloot keerde de rust al terug in de straten van Parijs. De revolte van de textielarbeiders in Lyon vond plaats in de laatste week van november 1831; de aanleiding was de weigering van een aantal kapitalistische ondernemers om loonafspraken te ratificeren. Regeringstroepen maakten in opdracht van koning Louis-Philippe op 3 december een einde aan de opstand. Het gewelddadige oproer van Bristol vond een paar weken eerder plaats, nadat het House of Lords een hervorming van het kiesrecht had verworpen.

…Desmarest du théâtre italien et son chef Girard: Narcisse Girard (1797-1860) speelde als dirigent een grote rol in het Parijse muziekleven. Over de cellist Desmarest en violist Sina is weinig bekend. De pianovirtuoos en componist Johann Peter Pixis (1788-1874) was opgeleid in Wenen en had zich in 1824 in Parijs gevestigd.

De ontmoeting met Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) moet grote indruk hebben gemaakt op Berlioz: wanneer hij deze brief schrijft heeft hij Mendelssohn al meer dan een half jaar niet meer gezien. Hij ontmoette hem kort na aankomst in maart 1831, en zag hem gedurende een maand met grote frequentie. Ze maakten samen muziek, bezochten bezienswaardigheden en maakten uitstapjes te paard in de omgeving. In april vertrok Mendelssohn naar Napels.

Soortgelijke enthousiaste ontboezemingen over Mendelssohn zijn te vinden in andere brieven van Berlioz. Wel blijkt uit deze brieven en zijn memoires dat dit een gespannen vriendschap was; de persoonlijkheden waren tezeer verschillend. Berlioz bemerkt bij Mendelssohn een zekere kilte, snobisme en bepaalde gevoeligheden (“een echt stekelvarken, zodra het gesprek over muziek gaat”, Mémoires II p. 50), en grijpt iedere gelegenheid aan tot plagerijen. Dat in deze brief de lof op Mendelssohn direct wordt gevolgd door een kritische opmerking over ‘à Dieu’ is waarschijnlijk geen toeval.

Mendelssohn van zijn kant was gechoqueerd door Berlioz’ ongeremde emotionaliteit en minachting van gevestigde waarden. Pas veel later, na de postume publicatie van Mendelssohns Reisebriefe aan zijn familie in 1861, ontdekte Berlioz wat Mendelssohn in die dagen werkelijk van hem dacht (hij vermeldt dit in een voetnoot bij zijn Mémoires, gedateerd 25 mei 1864). De naam van Berlioz was in de publicatie van 1861 vervangen door ***, maar dat kon zijn identiteit niet verhelen:

“*** [is] verwrongen, zonder een vonkje talent; in het duister rondtastend, in de waan dat hij schepper is van een nieuwe wereld, - schrijft daarbij de meest afschuwelijke dingen, en heeft niets in zijn dromen en gedachten dan Beethoven, Schiller en Goethe; tegelijkertijd van een grenzeloze ijdelheid, en voornaam neerkijkend op Mozart en Haydn, zodat zijn hele enthousiasme me zeer dubieus voorkomt [...].” (Brief van 29 maart 1831.)

Niettemin noemt hij Berlioz en een andere Franse musicus even later “zeer aangename, beminnelijke lieden”.

“Alleen houdt hij een beetje teveel van de doden” (“Seulement il aime toujours un peu trop les morts”), schreef Berlioz (Mémoires II p. 52). Mendelssohn kon soms met veel minachting spreken over de levenden. Voor een deel valt dit waarschijnlijk te verklaren als een aangenomen pose, die hij tegenover zijn familie passend achtte. Toen Berlioz in 1843 concerten dirigeerde in Leipzig, betoonde Mendelssohn, dirigent van het Gewandhaus-orkest, zich hartelijk en behulpzaam.

f00592

Ferdinand Hiller, ca 1880
foto L. Haasse, Berlin
(NMI, archief Richard Hol)


Zie ook de web-presentatie over Marie Taglioni.
C'est un homme … (“He was a man, take him for all in all, / I shall not look upon his like again.”) Hetzelfde Shakespeare-citaat dat Berlioz hier gebruikt om Mendelssohn te prijzen, gebruikte D.F. Scheurleer als motto van zijn studie over Berlioz uit 1878 (Twee titanen der negentiende eeuw). Scheurleer is waarschijnlijk in 1907 in het bezit gekomen van deze brief, toen handschriften uit de nalatenschap van Schlesinger door de antiquaar Liepmanssohn in Berlijn te koop werden aangeboden. De collectie Scheurleer omvat tien brieven van Berlioz, waarvan dit de meest substantiële is. Webexpositie: Muziekhistorisch Museum Scheurleer

Toen hij Berlioz en de Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) aan een vergelijking onderwierp was Scheurleer 23 jaar oud. Zijn boek is een wat onrijpe mengeling van enthousiasme en schoolmeesterlijke pedanterie. De vergelijking ligt enerzijds voor de hand – Wiertz was een ‘dark romantic’ met een voorliefde voor macabere onderwerpen en grote afmetingen – maar lijkt anderzijds, terugblikkend, ongerijmd door evidente verschillen in hun artistieke en humane kwaliteiten. De muziek van Berlioz heeft, na een opleving halverwege de vorige eeuw, nu een soort ‘klassieke’ status bereikt. Het oeuvre van Wiertz is nu nog permanent te zien dankzij een handeltje tussen de schilder en de Belgische staat. Deze financierde zijn Brusselse studio, in ruil voor het voorrecht deze na zijn dood als nationaal museum in stand te mogen houden.

Lodewijk Muns, 8-6-2012
Werken van Wiertz in de catalogus van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel.

De tekst van deze brief is in 1972 gepubliceerd in de Correspondance générale (dl. 1, nr. 251), en in 1969 in het tijdschrift Mens en Melodie (zonder vertaling).

Voornaamste bronnen:

Berlioz, Hector. Mémoires de Hector Berlioz, membre de l’Institut de France : comprenant ses voyages en Italie, en Allemagne, en Russie et en Angleterre, 1803-1865. Paris: C. Lévy 1878

Berlioz, Hector. Correspondance générale. Ed. sous la direction de Pierre Citron. T. 1 1803–1832. Paris: Flammarion 1972

Cairns, David. Berlioz. Vol. 1, The making of an artist 1803-1832. Berkeley, California: University of California Press 1999

Hiller, Ferdinand. Künstlerleben. Köln: DuMont-Schauberg 1880

Mendelssohn Bartholdy, Felix. Reisebriefe von Felix Mendelssohn Bartholdy aus den Jahren 1830 bis 1832. hrsg. von Paul Mendelssohn Bartholdy. Leipzig: Mendelssohn 1861

Scheurleer, Daniel François. Twee titanen der negentiende eeuw: Hector Berlioz en Antoine Wiertz. Haarlem: W. C. de Graaff 1878.

Weeda, Robert. "Vier brieven van Hector Berlioz". Mens en melodie (Juni 1969): 177–179.