Archiefstuk van de maand
Leopold Mozart: brief uit Milaan (1770), met een P.S. van Wolfgang |
|||||||||||||||||||
|
“Da bin ich auch, da habts mich.” Wanneer Wolfgang de pen van zijn vader overneemt, laat hij een ander personage het toneel opkomen. De vorige brief had hij ondertekend als “der nehmliche hanswurst”, “diezelfde Hansworst”, en ongetwijfeld speelt hij hier weer die rol. Hij schrijft alsof hij babbelt, en zal geen gelegenheid voorbij laten gaan tot woordspelingen of verwijzingen naar het onderlijf. Er zijn erg weinig brieven van Wolfgang van voor deze datum, en tijdens de eerste Italiaanse reis van 1770 schreef hij meestal een naschrift bij de brieven van zijn vader. Zuinigheid met papier schijnt een gewoonte te zijn geworden van Leopold, want portokosten liepen hoog op; in Londen, in 1764, had hij met enige zelfspot geschreven: “De letters van mijn handschrift worden steeds kleiner, naarmate de afstand tot Salzburg toeneemt. Als we de oversteek zouden maken naar Amerika, zouden ze waarschijnlijk geheel onleesbaar worden.” |
|||||||||||||||||||
![]() Leopold Mozart: brief aan zijn vrouw Maria Anna Mozart, 17 februari 1770, NMI Brievencollectie/1350 |
|||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||
|
Zoals het nummer boven het zegel aanduidt, is dit de tiende brief die Leopold schreef aan zijn vrouw Maria Anna, sinds hij en Wolfgang uit Salzburg waren vertrokken op 13 december 1769. Leopold drong er bij zijn vrouw op aan dat ze de brieven goed zou bewaren (haar kant van de correspondentie is niet bewaard gebleven). Ze waren niet alleen een persoonlijk aandenken, maar ook de grondslag voor het monument dat hij het nageslacht wou nalaten. Leopold had de eerste tekenen van Wolfgangs buitengewone muzikaliteit al gauw geïnterpreteerd als een door God gezonden ‘wonder’, en hij maakte het tot zijn levensmissie om dat wonder te koesteren. Een paar maanden voor hij met Wolfgang naar Italië vertrok had hij de tweede editie gepubliceerd van zijn Gründliche Violinschule (de eerste was verschenen in het jaar van Wolfgangs geboorte, 1756), en hij gebruikte het voorwoord om zijn roeping wereldkundig te maken: |
|||||||||||||||||||
|
“Ik zou deze gelegenheid kunnen gebruiken om het publiek te onderhouden met een geschiedenis, zoals ze zich misschien maar eens per eeuw voordoet, en zich in het rijk der muziek zó wonderbaarlijk misschien nog nooit heeft voorgedaan; ik zou het wonderbaarlijke genie van mijn zoon kunnen beschrijven; diens onbegrijpelijk snelle vordering op het gehele terrein der muzikale wetenschap, van zijn vijfde tot in het dertiende levensjaar, uitgebreid vertellen [...].” Dit deed hij natuurlijk niet; hij warmde de lezer op voor het relaas dat hij voornemens was te publiceren ná de Italiaanse reis, die hij niet verzuimde te vermelden. Dit biografisch verslag is niet gerealiseerd. Als vader van het ‘wonder’ is Leopold door historici zeer verschillend beoordeeld. Aangezien hij zoveel moraliseert in zijn brieven is de verleiding groot om ook óver hem te moraliseren. Ook al schreef Leopold met een zijdelingse blik op het nageslacht, toch is het hachelijk om de man te beoordelen op basis van zijn brieven, die aangepast waren aan zijn correspondenten en geschreven in omstandigheden die we maar zeer ten dele kunnen overzien. In elk geval was Leopold niet slechts een competent musicus en auteur van een hooggeprezen vioolmethode, maar ook een intellectueel ambitieus en onderlegd man, die zich superieur voelde aan vele collega’s. Niet alleen las hij veel, hij zocht ook contact met de literaire wereld. Een van zijn briefcontacten was Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769), wiens werken destijd gezien werden als standaard voor een nieuwe Duitse schrijfstijl, gekenmerkt door een mengeling van gematigde spontaniteit, geestigheid, en een dosis gezonde moraal. Hij was ook auteur van twee handboeken voor het schrijven van brieven. Mozart jr. schreef een oneerbiedig grafschrift voor hem onder zijn vaders brief uit Milaan van 26 januari: “Nieuwtjes heb ik niet behalve dat Meneer Geleerd, de poëet uit Leipzig, is gestorven, en sindsdien geen poëzie meer heeft geproduceerd.” De buitengewone gaven van zijn zoon maakten van Leopold een man met een roeping. Hij maakte zich volledig verantwoordelijk voor Wolfgangs opleiding en muzikale voortgang. Zijn rol als mentor zal waarschijnlijk zijn zelfbeeld bevestigd hebben als niet alleen musicus, maar ook man van de wereld, moraalfilosoof en medisch expert. Jammer genoeg legden de Europese reizen hem ook de taken op van manager, secretaris en bediende. Dat zijn verdienste als pedagoog minder opviel was haast onvermijdelijk: alle aandacht voor zijn aandeel zou de glans van het wonderkind hebben verminderd. Toen Wolfgangs leven zich ontwikkelde op een wijze die hij niet kon controleren of goedkeuren, en hijzelf herhaaldelijk werd gepasseerd voor promotie, vond de vice-kapelmeester van Salzburg steeds meer redenen om zich slachtoffer te voelen. De zaken verliepen echter zeer bevredigend in Milaan, waar ze arriveerden op 23 januari 1770. Milaan was de hoofdstad van Lombardije, onder Habsburgs bewind, en Leopold had zich in Salzburg een aanbeveling verschaft voor Graaf Karl Joseph Firmian, gouverneur van Lombardije, die naam had als beschermer der kunsten. Na het openbare concert (Accademia) op 23 februari gaven ze, op aandringen van Graaf Firmian, nog een concert in zijn paleis op 12 maart. Het programma omvatte onder meer de nieuw gecomponeerde aria’s KV 88 (Fra cento affanni) en KV 77 (Misero me), die voldoende indruk maakten om Wolfgang te verzekeren van de opdracht een volledige opera te schrijven voor de carnavalsperiode in december (Mitridate, re di Ponto). De succesvolle productie was goed voor 22 voorstellingen. |
Leopold Mozart
(Pietro Antonio Lorenzoni) Galimathias Musicum (Den Haag 1766), Mozarts handschrift in het NMI
Brief van de twaalfjarige Franz Liszt (1824), coll. NMI
|
||||||||||||||||||
|
“Scatologie”, een verschijnsel dat bloeit in Wolfgangs naschriften, en vooral in de beruchte brieven aan zijn nichtje, de Bäsle-Briefe, is bijna uitgegroeid tot een aparte tak van Mozart-expertise. Genoeg is er geschreven over de socioculturele context om een karakterisering van deze vorm van humor als ‘pathologisch’ van de hand te wijzen; toch kan de voortdurende aandacht voor anale functies de lezer obsessief voorkomen. Misschien is alle publieke belangstelling voor het wonderkind een verklaring voor deze voortdurende hansworstiades. In de eerste uitgave van deze brief, in Georg Nissens biografie van 1828, was het woord “arsch” weggelaten. De eerste ongekuiste, maar onvolledige uitgave was de Engelse vertaling van Emily Anderson. Het kindermeisje (Kindsmensch = Kindsmagd) dat hier betiteld wordt als “urscherl mit den kalten arsch” (“hier wohl wörtlich gemeint”, volgens de redacteurs in MBA V) is niet geïdentificeerd. Het is waarschijnlijk dat haar naam niet eens Ursula was; in een andere brief (31 augustus 1784) noemt Wolfgang een kokkin “Ursula mit dem kalten Loch”; en Goethe heeft in een onvoltooide klucht getiteld Hanswursts Hochzeit (1775) een personage opgenomen met de naam “Ursel mit dem kalten Loch”. Aangezien in dit stuk “alle Duitse scheldwoorden als personages optreden”, moet het een gangbare benaming zijn geweest. Tekst en vertaling: Lodewijk Muns, 24-8-2012 |
Goethe:
|
||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||
|
Online uitgaven: Halliwell, Ruth. The Mozart family: four lives in a social context. Oxford [England]; New York: Clarendon Press 1998 Mozart, Wolfgang Amadeus. Mozarts Bäsle-Briefe: hrsg. und kommentiert von Joseph Heinz Eibl und Walter Senn. Kassel: Bärenreiter 1978. Mozart, Wolfgang Amadeus et al. The letters of Mozart and his family: chronologically arr., transl. and ed. with an introd., notes and indices by Emily Anderson. London: MacMillan and Co 1938 Nissen, Georg Nikolaus von. Biographie W.A. Mozart’s. Nach Originalbriefen, Sammlungen alles über ihn Geschriebenen mit vielen neuen Beylagen ... Von Georg Nikolaus von Nissen. Nach dessen Tode herausgegeben von Constanze, Wittwe von Nissen, früher Wittwe Mozart. Leipzig: Breitkppf und Härtel 1828. |





