'Beatrijs' als opera

Ingediend door admin op wo, 09/21/2011 - 11:58

Drie werken in de archieven van
het Nederlands Muziek Instituut

door Lodewijk Muns

Landré-Maeterlinck: Soeur Béatrice (1911)

Het Beatrijs-drama van Maeterlinck is echter niet geschreven als literair drama, maar als opera-tekst, of zoals Maeterlinck zegt, ‘opéra-comique’. Dat zie je niet direct aan de tekst zelf, en wordt in de secundaire literatuur zelden vermeld. 

Maeterlinck maakt hiervan alleen melding in het voorwoord bij de uitgave van zijn verzamelde toneelstukken. Opéra-comique betekent overigens niet komische opera. De term duidt op het theater van die naam in Parijs, en het repertoire dat daar werd opgevoerd. Oorspronkelijk waren dit opera’s met gesproken dialoog, zoals Bizets Carmen. Ook Debussy’s Pelléas et Mélisande beleefde zijn première in de Opéra Comique.

Soeur Béatrice was geschreven voor een bevriende musicus met naar het schijnt nogal beperkte talenten, Gabriel Fabre. Een andere componist, Albert Wolff, was de eerste die met toestemming van Maeterlinck de tekst vertoonde.[1] Willem Landré ging waarschijnlijk maar weinig later dan Wolff aan het werk, misschien zonder te weten dat de tekst voor een componist was geschreven, en zeker zonder te weten dat het werk al aan een ander was toegezegd. Hij had de pech om van de auteur geen toestemming te krijgen, en heeft daarom het werk gestaakt in de tweede akte. Alleen de openingsmonoloog van Béatrice is volledig als orkestpartituur uitgewerkt.

Andere componisten hebben waarschijnlijk niet om toestemming gevraagd. U ziet aan dit (vermoedelijk onvolledige) overzichtje dat Soeur Béatrice een populair werk is geweest.



De legende als
muziekdrama

Landré-Maeterlinck:
Soeur Béatrice (1911)

Landré- Rutten:


Beatrijs (1925)
Lilien- Teirlinck:
Beatrijs (1928)
Geraadpleegde
literatuur

 

Dit is de tekst van een lezing, in verkorte vorm gehouden tijdens het congres Beatrijs de wereld in, Den Haag, 29 september 2011.

 

 

[1] Guiette, La légende de la Sacristine, p. 350

landre-w

Willem Landré
Foto: J. van der Rijk, ca 1915 (coll. NMI)


Wanneer we zoeken naar een verklaring voor deze populariteit moeten we rekening houden niet alleen met het verhaal en de kwaliteit van de tekst, maar ook met de enorme reputatie die Maeterlinck in deze jaren genoot. In 1911 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur; en een teken van zijn sociaal aanzien is dat hij in 1932 in de adelstand is verheven. Een andere factor was natuurlijk het succes van Debussy’s Pelléas et Mélisande.

Maeterlinck heeft zijn Soeur Béatrice ietwat laatdunkend gekenschetst als een ‘petit jeu de scène’, geschreven op verzoek van een componist, en bedoeld om deze een bruikbaar thema te leveren voor wat hij noemt ‘développements lyriques’. Men moet hier, zegt hij, geen diepere morele of filosofische gedachten in zoeken. Ik denk echter niet dat we blindelings op het oordeel van de auteur af moeten gaan. In zijn behandeling van de stof maakt de auteur onvermijdelijk keuzes die een reflectie zijn van een moreel-filosofisch standpunt.

Maeterlinck heeft als bronnen, behalve de Middelnederlandse Beatrijs, de vertellingen gekend van Charles Nodier uit 1837 en Villiers de l’Isle Adam uit 1888. [2] Hij gaf het stuk de ondertitel: ‘Miracle en trois actes’. Hoewel hij misschien de intentie had historiserend te verwijzen naar het middeleeuwse mirakelspel, vinden we hier in de tekst weinig van terug. Overigens biedt de Middelnederlandse tekst daarvoor ook weinig aanleiding: de kern van het wonder dat Maria verricht is juist dat het níet wordt opgemerkt. Maeterlinck koos echter voor een zeer theatrale opvatting van het mirakel. De geringste manifestatie daarvan is dat het niet zozeer de H. Maagd is die ingrijpt in het leven van Beatrijs, als haar levend geworden standbeeld (een element dat Maeterlinck in ieder geval bij Villiers en Nodier heeft kunnen vinden).

[2] Nodier, Légende de Soeur Béatrix; Villiers, Soeur Natalia.


Maurice Maeterlinck (Gent 1862 – Nice 1949)
Soeur Béatrice, Miracle en trois actes (1901)

Plaats van handeling: gang in het klooster

I. Beatrijs geeft zich over aan haar minnaar Bellidor en verlaat met hem het klooster.

II. Onze Lieve Vrouw (het tot leven gekomen standbeeld) neemt de plaats in van Beatrijs. Ze doet wonderen, wordt eerst van heiligschennis beschuldigd, dan als heilige vereerd.

III. Beatrijs komt terug in het klooster. Haar bekentenis wordt niet geloofd. Ze sterft (?) met een reputatie van heiligheid.

maeterlinck

Maurice Maeterlinck

De plot, zoals U in deze korte samenvatting ziet, is sterk vereenvoudigd, met als meest opvallend element de tweede akte, waarin de schrijver niet Beatrijs volgt op haar dwaalwegen maar laat zien hoe het de H. Maagd vergaat wanneer zij de rol van kosteres op zich neemt. Het ligt voor de hand dat de rol van Beatrijs en haar dubbelgangster door dezelfde zangeres-actrice gespeeld worden, hoewel de auteur dat niet voorschrijft.

De nonnen ontdekken dat de vermeende Beatrijs onder haar habijt de kleding draagt van het verdwenen standbeeld. Ze zien dit als heiligschennis en reageren met hysterische verontwaardiging.

LES NONNES: Notre Dame!... La Vierge!... Elle a dépouillé la statue! Soeur Béatrice! Elle ne nous répond pas! Les Démons! les Démons! Les murs vont se venger! Folie! Folie! Folie! Horreur! Horreur! Horreur! N'attendons pas la foudre! Sacrilège! Sacrilège!

Maurice Maeterlinck: Soeur Béatrice, Acte deuxième
Aan dergelijke passages, waar de nonnen door elkaar roepen zonder duidelijke rolverdeling, is te zien dat Maeterlinck zijn tekst gedacht heeft voor muzikale vertoning. Met een koor en kleine solopartijen is een dergelijke scène veel beter te realiseren dan in gesproken vorm.

De priester zegt dat dit werk van de duivel is, en geeft de nonnen opdracht Onze Lieve Vrouw uit alle macht te geselen. Dan barst het spektakel los: een engelenkoor zingt Ave maris stella; er zijn vlammen en lichtverschijnselen; heiligenbeelden komen tot leven; en de nonnen worden achtervolgd door een stortvloed van bloemen. Dit alles is slechts zeer ten dele zichtbaar door de open deur naar de kerk opzij; de bedoeling is dat het mirakel bovenal muzikaal gestalte krijgt. Er is een abrupte omslag in het gedrag van de nonnen: plotseling is Beatrijs een heilige.

LES RELIGIEUSES: Miracle! Miracle! Miracle! Oh! mon père! mon père! Hosanna! Hosanna! Hosanna! […] Le ciel s'est entr'ouvert! Les anges nous accablent et les fleurs nous poursuivent! Hosanna! Hosanna! Soeur Béatrice est sainte! Sonnez, sonnez les cloches à déchirer le bronze! Soeur Béatrice est sainte! Soeur Béatrice est sainte!...

Maurice Maeterlinck: Soeur Béatrice, Acte deuxième
Wanneer het doek opgaat voor de derde akte, staat het Mariabeeld weer op zijn sokkel. Beatrijs keert terug na 25 jaar afwezigheid. Ze bekent haar zonden aan de zusters, die echter denken dat ze ijlt. Aan het slot ligt ze op sterven zonder begrepen te zijn, zonder eigenlijk gebiecht te hebben, en derhalve zonder in de christelijke zin vergeving te vinden. In plaats daarvan wordt ze heilig verklaard op basis van de daden van haar dubbelgangster.

Niet alleen wordt Beatrijs’ bekentenis niet geloofd; ze weet niet waaròm ze niet geloofd wordt. Ze heeft geen weet van het mirakel, van het werk van haar dubbelgangster. Het in de christelijke mythologie essentiële element van kennis van genade en vergeving ontbreekt. Dit ondergraaft de moraal van het oorspronkelijke verhaal. In plaats daarvan is er een wrange ironie, die misschien meer een dramatische ironie is dan een filosofische. De auteur geeft de toeschouwers de clou die hij aan de handelende personen in het drama onthoudt.

Teirlinck sprak in zijn kritiek op Pelléas van marionetten, en inderdaad lijken de personages in Soeur Béatrice ook wezens die met weinig eigen innerlijke consistentie gemanipuleerd worden door hun driften en door de grillen van een goddelijke theaterdirecteur. Onze Lieve Vrouw is een levend standbeeld, en ook Beatrijs komt niet tot dieper inzicht dan een vaag besef van haar eigen onbegrip.

Maeterlinck scherpt de ironie van het derde bedrijf aan door de misstappen van Beatrijs te overdrijven. Ze is na drie maanden door haar minnaar verlaten; ze heeft haar lichaam door alle mannen, zoals ze zegt, laten onteren; ze heeft drie kinderen gekregen, die alle gestorven zijn, het laatste door haar eigen hand.

Of deze ironie de neerslag is van een diepere filosofische idee is betwistbaar. De moraal is eigenlijk verschrompeld tot een gemeenplaats – “comprendre tout c'est tout pardonner”, volgens een gangbaar maar dubieus gezegde. Het onbegrip dat Béatrice articuleert in haar slotmonoloog is typisch voor de personages van Maeterlinck.


BÉATRICE: [...] Je crois que je n'ai plus la force de comprendre... [...] Je me suis dit souvent, quand j'étais malheureuse, que si Dieu savait tout il ne punirait pas... [...] J'ai vécu dans un monde où je ne savais pas ce que voulaient la haine et la méchanceté; et je meurs dans un autre où je ne comprends pas où veulent en venir la bonté et l'amour...

Maurice Maeterlinck: Soeur Béatrice, Acte troisième

[...] longtemps encore, toujours peut-être, nous ne serons que de précaires et fortuites lueurs abandonnées sans dessein appréciable à tous les souffles d'une nuit indifférente.

Maurice Maeterlinck: Théâtre T. 1, vi (Préface)
Het gevoel onbegrepen en doelloos in een onbegrijpelijke wereld te leven is een kernthema in zijn œuvre, zoals verwoord in het tweede citaat. Dit besef van onmacht, fataliteit en de futiliteit van menselijk streven wijt Maeterlinck in dit voorwoord vervolgens aan de grenzen van het menselijk begrip, en geeft hieraan een voorzichtige positieve wending: de ultieme waarheid van het niets, de dood en de zinloosheid van het bestaan is enkel de grensmarkering van onze kennis; en onze triestheid kan onderbroken worden door opflakkerende hoop. Zeker is enkel onze onwetendheid.


Er is in Maeterlincks levensvisie, en zo ook in Soeur Béatrice, weinig te vinden van een christelijke moraal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn oeuvre in 1914 op de Vaticaanse Index werd geplaatst. Ik denk echter niet dat Willem Landré op grond van een soortgelijke lezing tot Soeur Béatrice werd aangetrokken. Hoewel niet katholiek, had hij roomse sympathieën en deelde de Rooms-Katholieke Mariaverering.

Korte biografie van Willem Landré.

Muzikaal lag zijn sympathie bij Franse componisten als César Franck en de vroege Debussy, en hij heeft voor deze Franse oriëntatie in een tijd dat de Nederlandse muziek vooral onder Duitse invloed stond veel krediet gekregen. Over Landré is erg weinig geschreven, en zijn werken worden vrijwel nooit meer uitgevoerd. Bepalend voor het beeld van deze componist is vooral de beoordeling door Eduard Reeser in zijn geschiedenis van “een eeuw Nederlandse muziek”. Reeser schrijft daar dat “Soeur Beatrice een Nederlandse Pelléas et Melisande had kunnen worden” [3], en citeert een deel van de openingsmonoloog van Béatrice. Ik denk echter dat hier toch veel meer het harmonisch idioom van Wagners Tristan und Isolde bepalend is geweest dan het voorbeeld van Debussy’s Pelléas; overigens is de invloed van Wagner op de vroege Debussy onmiskenbaar, en Pelléas heeft veel te danken aan Parsifal. Ook staat de declamatie bij Landré ver af van de spreektoon in Pelléas.[4]

 

[3] Reeser, Een eeuw Nederlandse muziek, p. 222

[4] Ik laat de vraag open in hoeverre Landré met Pelléas bekend is geweest, een werk dat hij voor 1918 in Nederland in ieder geval niet heeft kunnen horen.

Willem Landré

Willem Landré, partituurhandschrift Soeur Béatrice
(arch. W. Landré, NMI)

landre-sb-2


 


U ziet aan deze titelpagina dat Landré zijn opera niet als ‘miracle’ heeft betiteld, maar als ‘mystère’. Dat is misschien een teken dat Landré het werk serieuzer opvatte dan Maeterlinck.

Hoewel Soeur Béatrice door de schrijver als opéra comique is aangeduid, is het toch moeilijk een duidelijk onderscheid te maken met de Literaturoper, die zich bedient van muzikaal proza. Als zodanig is het werk ook opgevat door Landré. Kenmerkend voor veel werken in het genre van de opéra comique is dat de auteurs voor de personages op het toneel plausibele situaties zoeken waarin ze zingen – dus eigenlijk geen aria, maar een lied, dat ook in een gesproken drama gezongen zou worden. Zo’n lied behoort dus eigenlijk tot de Bühnenmusik. Veelzeggend voor Landré’s benadering is dat hij er de voorkeur aan geeft ook het ene gezongen ‘nummer’ dat in dit drama voorkomt, een liedje (chansonette) van de H. Maagd in het begin van de tweede akte, niet als zodanig te componeren, dus niet als een eenvoudig lied met periodische metrische structuur.

LA VIERGE, chantant.
A toute âme qui pleure
A tout péché qui passe
J'ouvre au sein des étoiles
Mes mains pleines de grâces.
Il n’est péché qui vive
Quand l'amour a prié;
Il n'est âme qui meure
Quand l'amour a pleuré ...
Et si l'amour s'égare
Aux sentiers d'ici-bas
Ses larmes me retrouvent
Et ne s'égarent pas …

Maurice Maeterlinck: Soeur Béatrice, Acte deuxième
Ik denk overigens niet dat dit lied de moraal van de auteur artikuleert. Het is hier het personage dat spreekt, de H. Maagd, en ze presenteert de conventionele en sentimentele vergevingsmoraal die je van een levend Mariabeeld zou verwachten. Maar ik denk niet dat Landré deze visie deelde.

Landré-Rutten: Beatrijs (1925) »