'Beatrijs' als opera

Ingediend door admin op wo, 09/21/2011 - 11:58

Drie werken in de archieven van
het Nederlands Muziek Instituut

door Lodewijk Muns

Landré-Rutten: Beatrijs (1925)

Het is veelzeggend dat de Beatrijs-opera die Landré wèl heeft voltooid is gebaseerd op een tekst die in veel opzichten het tegendeel is van Soeur Béatrice.

Felix Rutten noemt zijn toneelstuk ‘mysteriespel’. Een criticus merkte in 1926 op dat “dit als een mysterie-bedoelde spel feitelijk groeit tot een zuiver-psychologisch drama.”[1] De term ‘psychologisch’ is misschien niet geheel treffend, maar het werk staat inderdaad ver af van het middeleeuwse mysteriespel. Opvallend is ook dat Rutten veel van het in de Middelnederlandse tekst aanwezige drama onbenut laat. Zijn Beatrijs is eigenlijk minder levensecht en minder concreet in de wereld geplaatst dan de originele. Dat is misschien verdedigbaar in die zin dat binnen een meer realistische context het mirakel een veel groter probleem zou veroorzaken. Ook een orthodox katholiek kan dit mirakel niet historisch opvatten; als legende behoort het gegeven eerder tot de nostalgische religieuze folklore.




De legende als
muziekdrama

Landré-Maeterlinck:
Soeur Béatrice (1911)

Landré-Rutten:


Beatrijs (1925)
Lilien-Teirlinck:
Beatrijs (1928)
Geraadpleegde
literatuur

Dit is de tekst van een lezing, in verkorte vorm gehouden tijdens het congres Beatrijs de wereld in, Den Haag, 29 september 2011.

 

[1] Monteyne, Kritische bijdragen.


Felix Rutten (Sittard 1882 – Rome 1971)
Beatrijs, Mysteriespel in vier tafereelen (1918)

I. Sacristie in het klooster
Beatrijs ontmoet de ridder Valentijn en verlaat het klooster.

II. Zaal in Valentijns kasteel
Valentijn blijkt haar ontrouw; hij zendt haar weg.

III. Herberg
Beatrijs wordt door stemmen gemaand naar het klooster terug te keren.

IV. Sacristie in het klooster
Beatrijs bekent haar zonden en neemt haar taak weer op zich.

rutten1910

Felix Rutten, Luik ca. 1910
(foto coll. NMI)

Rutten volgt verder tamelijk nauwgezet de Middelnederlandse vertelling, en zoals U ziet kiest hij voor een vierdeling, met de episode in het huis van de weduwe, bij hem een waardin, als apart tafereel. In het tweede tafereel bedient Rutten zich van twee door hem verzonnen karakters, bedienden van ridder Valentijn. Zij hebben enkel de functie Beatrijs bekend te maken met het feit dat Valentijn haar ontrouw is. Veel critici zijn het erover eens dat deze quasi-echtelijke perikelen een banaal en overbodig tafereel opleveren.

De zeven jaren die Beatrijs vervolgens doorbrengt als prostituée waren duidelijk een bron van gêne voor de auteur. De Anonymus gaat hier in 26 regels (441-466) tamelijk kies te werk, maar Rutten handelt de zaak wel erg summier af: rutten-beatrijs

Omslag uitgave Amsterdam, 1920

co-opera-tie

Programma De Co-Opera-Tie, 1925

landre-klokken

Willem Landré, Beatrijs,
partituur eerste akte, p. 81
(Archief W. Landré, NMI)


BEATRIJS: Ik leefde in ontucht, eerst met mijn verleider.
PRIESTER: Zij raast!
BEATRIJS: Dan, zeven jaar, voor ieder veil.

Rutten, Beatrijs, Vierde tafereel

Rutten geeft geen visualisatie van het dubbelgangermotief: de H. Maagd komt in de rolverdeling niet voor. In plaats daarvan maakt het Mariabeeld aan het slot een zegenend gebaar.

Ruttens tekst is historiserend doordat ze geschreven is in verzen. Zijn taalgebruik is nogal gekunsteld, en de toon sentimenteel. U ziet het hier aan de openingsmonoloog:

BEATRIJS: (die een korf met bloemen vult):
Wat staart gij met uw strakke bloemgezichten
Mij peinzend aan, als zaagt gij in de ziel, -
Margrieten met uw wijdgeplooiden kraag,
En gij, fluweelige violenoogen:
Peilt gij dan de gedachten van een mensch
En weet wat onrust woelt in zijn gemoed?

Rutten, Beatrijs, Eerste tafereel

Waar Maeterlinck begint met een heftige smeekbede tot de H. Maagd, praat Ruttens Beatrijs tegen bloemen. Het verlangen van deze Beatrijs is minder erotisch, eerder een soort Weltschmerz, en nostalgie naar gezinsleven.

Het is misschien verwonderlijk dat Landré dit verzen-drama heeft gekozen om te dienen als opera-libretto. De tekst is woordenrijk en omslachtig van uitdrukking, en laat daardoor muziek weinig ruimte. Ook het theatrale element is bij Rutten zwak ontwikkeld. De verinnerlijking die karakteristiek is voor Rutten wordt eigenlijk door Landré nog versterkt. Sommige theatrale elementen die wèl in de tekst aanwezig zijn en makkelijk presentie zouden kunnen krijgen in de partituur worden door Landré genegeerd. Ik noemde eerder het klokgelui een sonoor attribuut van Beatrijs. Opmerkelijk is dat waar Rutten schrijft dat Beatrijs de klok luidt, en dit ook een uitgesproken dramatische functie heeft, Landré dit in de partituur negeert.

BEATRIJS (die de klok luidt; het zeel hangt in de sakristie)
Is 't Valentijn? De klok verkondt mijn vreugd
En roept mijns harten jubel over 't land,
Hém roepend ... Zal hij 't hooren ... en verstaan?

Rutten, Beatrijs, Eerste tafereel

U ziet op deze bladzijde een potloodaantekening “klokken”. Hoe dit klokgelui is gerealiseerd is onduidelijk. Ook een koor wordt door de componist niet gevraagd. Alleen klinkt aan het slot een Magnificat, gezongen door drie solostemmen.

Het drama is dus nog meer dan je op basis van de tekst zou verwachten verinnerlijkt en geabstraheerd tot een patroon van overwegend elegische stemmingen en kleuren. De muzikaal gearticuleerde handeling speelt zich op één niveau af – dat van innerlijke beleving; de klinkende buitenwereld blijft buiten de muziek.

Landré’s Beatrijs is in 1925-27 een aantal malen opgevoerd, en met vrij groot succes.[2] Wat in recensies de meeste lof heeft geoogst is Landré’s harmonie en orkestratie; critici vonden het werk vaak te lyrisch. In de woorden van één recensent, het ontbrak de opera aan “toneelplastiek en contrastwerkingen”.[3]

[2] In 1925/26 door De
Co-Opera-Tie o.l.v. Albert van
Raalte in Den Haag, Rotterdam
en Parijs; in 1927 o.l.v. Evert
Cornelis in Utrecht en
Rotterdam. De muziek is niet
gedrukt; alleen een tussenspel
en slotscène zijn voor
concertgebruik uitgegeven
(z. bibiografie).

[3] A.d.W. in Het Vaderland, 16-10-1925 (Kunst en Letteren).



Lilien-Teirlinck: Beatrijs (1928) »