W.F.G. Nicolaï

Ingediend door admin op wo, 03/28/2018 - 14:04

De armlastige Nicolaï kreeg gratis pianoles op kosten van de Leidse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, vooral om hem dan vervolgens als organist te kunnen laten opleiden. Zijn vorming werd ter hand genomen door Abraham le Lièvre die hem zang-, piano- en orgelles gaf. Deze Le Lièvre (wat ‘de haas’ betekent) was ‘muziekmeester’ in Leiden, directeur van de muziekschool en dirigent van koren en orkesten. Hij was ook organist van de Waalse Kerk in Leiden en had de weinig vleiende bijnaam ‘het vloekende haasje’.

Frits kreeg bij een andere Leidse musicus, De Graaff, die ook aan de muziekschool verbonden was, celloles. Ook mocht hij gratis de concerten van het studentenorkest (het academisch muziekgezelschap) Sempre Crescendo en van de sociëteit Musis Sacrum bijwonen.

Hoewel de naam Le Lièvre ons nu weinig meer zegt, wist deze musicus Frits Nicolaï tot een uitstekend pianist op te leiden. Als cellist ontwikkelde Nicolaï zich zodanig dat hij gemakkelijk kon plaatsnemen aan de eerste lessenaar van een orkest.  Ook verving hij zijn leermeester Le Lièvre als organist in Leiden.

Door een gelukkig toeval hoorde de Engelse pianist Henry Litolff, op doorreis in Leiden, de jonge Frits pianospelen en adviseerde hem zich in Leipzig verder in de muziek te bekwamen.  In het voorjaar van 1849 trok Nicolaï naar Leipzig en kreeg daar les van de beroemde pianisten Ignaz Moscheles en Louis Plaidy, en van de organist Carl Becker. Zijn talent bleek zo groot dat hij zelfs verschillende keren in het Gewandhaus in Leipzig optrad. In Dresden nam hij van april tot oktober 1852 nog les bij de orgelvirtuoos Julius Schneider. Onberispelijk geschoold keerde de talentvolle Nicolaï in oktober 1852 in Leiden terug. Daar gaf hij enkele concerten en al snel kreeg hij een aanstelling aan de Koninklijke Muziekschool in Den Haag. Minister Thorbecke stelde hem in 1853 als leraar orgelspel aan tegen een vergoeding van ƒ300,- per jaar (nu ruim € 3.000,-). Die orgellessen gaf hij op een pedaalpiano, omdat er in de Muziekschool geen orgel was. In 1855 kocht de Muziekschool het orgel uit de Gotische Zaal, waarna Nicolaï dus zijn lessen op een echt orgel kon geven. Ook werd Nicolaï organist van de Waalse Kerk en later van de Lutherse Kerk.

Na zijn aanstelling bij de Muziekschool raakte Nicolaï meer en meer verbonden met het Haagse culturele leven. Hij maakte ook kennis met het hof, speelde voor het koningspaar Willem III en zijn vrouw koningin Sophie, en bij Anna Paulowna (de weduwe van koning Willem II). Hij gaf les aan prins Alexander, de zoon van koning Willem III, en ook aan koningin Sophie. In 1865 volgde hij de net overleden J.H. Lübeck op als directeur van de Koninklijke Muziekschool. Aan de muziekschool richtte hij onder andere klassen in voor orkestspel en voor kamermuziek. Daarnaast werd hij in 1860 directeur van het Toonkunstkoor in Den Haag, en van 1863-1865 was hij dat ook van Toonkunst in Rotterdam. Ook was hij dirigent van ‘Maatschappij de Toekomst’, waar hij gelegenheid kreeg om met het orkest nieuwe muziek in Den Haag te introduceren, zoals van Berlioz, Wagner en Liszt.

Een ander aspect van de veelzijdige Nicolai was zijn compositietalent. In totaal liet hij zo’n 36 opusnummers na. Op verzoek van prins Frederik, de zoon van Koning Willem I, schreef hij voor de onthulling in 1869 van het gedenkteken op Plein 1813 een Feestcantate (opus 16). Ook publiceerde Nicolaï regelmatig over muziek. Hij was dus op vele terreinen actief en daardoor een gezaghebbende persoonlijkheid in het muziekleven. Misschien lag de grootste verdienste van Nicolaï wel in het feit dat hij een orgelklas bij de Muziekschool in het leven riep die stand hield. Initiatieven van anderen in zowel Amsterdam als Rotterdam waren mislukt. Daarmee heeft het huidige Koninklijk Conservatorium, als opvolger van de Koninklijke Muziekschool, de oudste orgelopleiding van ons land.

Afbeelding
Componist Frits Nicolaï, ca 1875

Labels