Theoreticus en lexicograaf

Ingediend door Paula op do, 01/10/2019 - 16:01

Walther was eerder een geleerde dan een flamboyant virtuoos. Van een vooraanstaand organist uit zijn tijd mag men verwachten dat deze ook een bekwaam improvisator is. Het is dan ook opmerkelijk dat hij bekent (“sub rosa”), “dat ondanks de gedachten die ik eraan gewijd heb, ik dit punt [improvisatorische vaardigheid] toch niet kan bereiken, maar mijzelf tevreden moet stellen met de compositiekunst [...]”.[1] Ook kon hij tijdens het spelen niet op zijn geheugen vertrouwen, zodat hij zelfs voor zijn eigen werk van de partituur afhankelijk was. Bij het afnemen van zijn gezichtsvermogen moeten zijn plichten tot een kwelling geworden zijn.[2]

Aangezien in Walthers tijd de meeste composities in omloop waren in handgeschreven afschriften, was het gebruikelijk dat een componist zijn eigen en andermans werken kopieerde. Max Seiffert heeft terecht de “sierlijke accuratesse” van Walthers handschrift geprezen.[3] Voor een musicus van Walthers statuur hield het maken van een afschrift veel meer in dan handwerk; de componist-kopiïst investeerde zijn eigen oordeel en inzicht in het werk. Zo kan een afschrift verder verwijderd zijn van de oorspronkelijke notatie van de componist, en aan de andere kant een toegevoegde waarde hebben als neerslag van uitvoeringspraktijk en stilistische ontwikkeling. Dit schrijfwerk was echter een tijdrovende taak die ook fysiek zijn tol eiste. Schrijnende passages in zijn brieven onthullen dat Walther in later jaren de kost bij elkaar moest scharrelen door zijn afschriften te verkopen “voor 12 penningen per volgeschreven blad, hetzelfde in partijen voor 6 penningen [...] maar op voorwaarde dat de koper de portokosten betaalt”.[4]

Walther Musikalisches Lexicon

J.G. Walther, Musicalisches Lexicon (1732)

Terwijl Walther als componist spoedig is vergeten, heeft zijn reputatie als muziekgeleerde veel langer standgehouden. De Praecepta der musicalischen Composition (1708) werden pas na anderhalve eeuw uitgegeven, maar in 1732 verscheen zijn Musicalisches Lexicon, de eerste muziekencyclopedie die in de Duitse taal is verschenen, met zowel theoretische als biografische artikelen. We mogen hem erkentelijk zijn dat hij de moeite heeft genomen zijn collega’s vragenlijstjes te sturen, en daarmee zijn bronnenmateriaal heeft uitgebreid. De meeste componisten van werken in het Frankenberger-Manuscript hebben een vermelding in het Musicalisches Lexicon; de uitzonderingen zijn Adam Nikolaus Strungk, Johann Peter Kellner en Johann Christian Scheidemantel.

 


 

[1] Walther: Briefe p. 60: "[...] weil ich mich nicht schäme (jedoch sub rosa) zu melden: daß diesen Punckt, ohneracht selbigem zum öfftern auch nachgedacht habe, dennoch nicht erreichen kann, sondern mich mit der Wißenschaft der Composition, und dem daher entstehenden Vermögen, etwas reelles aufzusetzen, begnügen laßen muß [...]." (6-8-1729)

[2] Walther, Briefe p. 135 (12-3-1731)

[3] M. Seiffert (zie Componist en organist, n. 5), p. vi. Behalve eindredacteur van de Denkmäler Deutscher Tonkunst was Seiffert was redacteur van het Archiv für Musikwissenschaft; van 1935 tot 1942 was hij directeur van het Staatliches Institut für Deutsche Musikforschung.

[4] Walther: Briefe p. 224: "[...] jeden vollgeschriebenen Bogen in Partitur für 1nen guten Groschen, dergleichen in Stimmen aber ausgeschrieben für 6 Pfennige weg zu geben gesonnen bin doch so, daß der Kauffer das porto entrichte." (25-1-1740)