Willem Mengelberg was 'Regertoll'

Ingediend door Paula op ma, 02/25/2019 - 15:47
Afbeelding
Autograaf Fughetta (op. 80 nr. 2), collectie Nederlands Muziek Instituut/Haags Gemeentearchief

De foto toont de eerste bladzijde van de Fughette die als opus 80 no. 2 van Max Reger verscheen. Het werk is door Elsa Reger, sedert mei 1916 weduwe van de componist, uit het oorspronkelijke manuscript verwijderd. Met een 'laudatio' op Mengelberg stuurde ze dit manuscript in als bijdrage voor het Willem Mengelberg Gedenkboek dat in 1920 verscheen, als huldeblijk bij het 25-jarig jubileum van Willem Mengelberg als dirigent van het Concertgebouworkest.

Mengelberg was in 1895 als dirigent in Amsterdam benoemd en in 1920 werd zijn jubileum op luisterrijke wijze gevierd met het inmiddels legendarische Mahlerfeest. Gedurende dat muziekfeest werd in minder dan veertien dagen het gehele symfonische oeuvre van Mahler door Mengelberg met het Concertgebouworkest uitgevoerd. Dat muziekfestival dwong destijds de bewondering  van de gehele internationale muziekwereld af: als onnavolgbare hommage aan de componist Gustav Mahler, voor wiens muzikaal oeuvre Mengelberg keer op keer een lans brak, èn als vredesfestival, omdat dit het eerste internationale muziekfestival was na de Eerste Wereldoorlog.

Het eerbetoon aan Mengelberg persoonlijk was - buiten het Mahlerfeest - ook imposant. Een van de nog steeds het meest in het oog lopende bewijzen daarvan is het zogenaamde Willem Mengelberg Gedenkboek dat rond het jubileum verscheen. In dat kloeke boek waren niet alleen bijdragen verzameld uit de internationale muziekwereld waarin Mengelberg hulde werd gebracht, maar ook uit de wereld van de kunst, politiek en wetenschap. Dit unieke boek is antiquarisch nog wel te vinden. Er staan bijdragen in van Adolf Busch, Walter Damrosch, Emma Debussy, Edward Elgar, Carl Flesch, Percy Grainger, Vincent d'Indy, Fritz Kreiselr, Wanda Lndoska, Alma Mahler, Pierre Monteux, Arthur Nikisch, Sergei Rachmaninoff, Richard Strauss, Chalres Tournemire, Charles-Marie Widor en vele, vele anderen. Het Gedenkboek is een schitterend tijdsdocument, een rijke bron van informatie rond Mengelberg, Het geeft ook een heel goed beeld van de internationale erkenning die hij als dirigent ondervond.
De originele bijdragen voor het boek zijn opgeplakt en zitten in vijf banden met geschreven bijdragen en in een zesde deel dat tekeningen, aquarellen en dergelijke bevat. Dat geheel is in een speciaal ontworpen kastje aan Mengelberg aangeboden. Het Gedenkboek werd in verschillende edities uitgegeven - een 'pracht'-uitgave en een goedkopere - onder redactie van Paul Cronheim - met een selectie uit de oorspronkelijke bijdragen.
Ook Sam Bottenheim, die in die jaren als secretaris voor Mengelberg ging werken, had zich beijverd om bijdragen voor dit boekwerk in handen te krijgen, hoewel daar wel een officiële correspondentie  van de commissie die zich met de uitgave bezighield, aan vooraf was gegaan. Zo heeft ook Elsa Reger een bijdrage geleverd: ze haalde uit het oorspronkelijke Heft 1 van Regers opus 65 (met de bekende orgelwerken), de als no. 2 ingebonden Fughette. Op de vierde pagina van de voor Mengelberg bestemde bladzijden is een pagina te vinden van het Capriccio dat als op. 65 no. 2 verscheen. Het manuscript waaruit de bladen zijn verwijderd, berust nu bij de Library of Congress in Washington.
Het was uiteindelijk niet de bedoeling van Reger dat de Fughette in Heft 1 opus 65 verscheen. Hij schreef zelf aan uitgeverij Hinrischen dat hij te veel stukken had geschreven voor dit opus en verzocht de uitgever de teveel geschreven composities te bewaren voor een 'späteres Opus'. De drie werken verschenen in Regers opus 80 als no. 2 (Fughette), no. 4 (Gigue) en no. 6 (Intermezzo).
Elsa Reger had voor het Gedenkboek een fraaie begeleidende tekst geschreven, gedateerd 12 februari 1920, waarin ze te kennen gaf hoeveel de Nederlandse erkenning voor Reger als componist had betekend. Door Nederland beleefde Reger, aldus Elsa, uren van de meest pure en vreugdevolle blijdschap die een scheppend kunstenaar kon beleven, veroorzaakt door het begrip voor zijn kunst en daarnaast door de warme persoonlijke interesse die hem in Nederland ten deel was gevallen. In 1905, 1907, 1910, 1915 en 1916 kwam Reger naar Nederland en werkte als pianist en als dirigent mee aan uitvoeringen van zijn muziek. 'Die Holländer sind Regertoll!', schreef hij aan zijn vrouw in februari 1907.
Die concerten vonden niet alleen plaats in Amsterdam, maar ook in Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Het verleden, zo schreef Elsa in de bijdrage voor Mengelberg, kende verdriet en vreugde, strijd en succes, maar in dat verleden klonk 'hell und froh, ohne jede Disharmonie das Wort "Holland". Mengelberg erkannte zu einer Zeit, da Reger in Deutschland noch lange nicht "hoch" war, was in dieser Persönlichkeit der musikalischen Welt geschent worden war.'

Mengelberg had vanaf januari 1907 vier keer Regers Serenade in G op. 95 op het programma gezet, zowel in Amsterdam als in Den Haag, Arnhem en Rotterdam. Op 20 januari werkte Reger tijdens het concert in het Concertgebouw zelf mee in de Variationen und Fuge über ein Thema von Beethoven voor twee piano's, op. 86, met Henriëtte Roll aan de tweede vleugel. Daarna voerde Mengelberg de Serenade tot half april nog acht keer uit, inclusief concerten in Leiden, Haarlem en Antwerpen. Vanaf half oktober 1907 stonden de Variationen und Fuge über ein lustiges Thema von Joh. A. Hiller opus 100 op het programma. Acht keer voerde Mengelberg dit werk uit, te beginnen met 17 oktober, twee dagen na de Uraufführung door Fritz Steinbach in Keulen, tot en met eind december 1918. Mengelberg voerde de muziek van Reger ook uit in Frankfurt am Main, waar hij van 1908 tot 1920 eveneens dirigent was.
In het concertseizoen 1912-1913 stonden in Amsterdam Regers Eine Lustspiel-Ouvertüre opus 120 en de Symphonischer Prolog zu einer Tragödie opus 108 op het programma. In december 1913 volgde twee keer  An die Hoffnung opus 124 (met als soliste Katharina Lissman). In maart 1916 dirigeerde Reger zelf twee maal zijn Mozart- en Hillervariaties in Amsterdam. In april 1916 speelde Alexander Schmuller - de in Amsterdam woonachtige violist met wie Reger heel wat kamermuziekconcerten gaf - met het Concertgebouw het Vioolconcert in A gr.t., opus 101.

In de eerste jaren waarin Mengelberg zich voor Regers muziek interesseerde, leek dat even op de hardnekkigheid waarmee hij zich voor Strauss en Mahler inzette. Later verflauwde die inzet wat, maar bleef toch van betekenis. Toen Max Reger in 1916 overleed, vond de bekende criticus  Matthijs Vermeulen dat voor de muziek een zegen. Ook de Haagse muziekcriticus Constant van Wessem was niet rouwig om Regers overlijden. Hij vond de waardering van de muziek van Reger 'een ware schande voor de mensheid'. Toch voerde Mengelberg ook na Regers dood met enige regelmaat diens muziek uit. Echt populair is Regers orkestmuziek, jammer genoeg, niet geworden.

Tekst: Frits Zwart (directeur Nederlands Muziek Instituut)
Foto: Autograaf Fughetta (op. 80 nr. 2) van Max Reger
Collectie Nederlands Muziek Instituut/Haags Gemeentearchief

Dit artikel is gepubliceerd in het tijdschrift 'Het orgel', jaargang 115 nummer 1 - januari 2019

 

Labels